Wat gaan we doen
Met ons Onderwijs Netwerk Ondernemen gaan wij onderstaande activiteiten ontwikkelen, organiseren en uitvoeren.
PLANNEN
Het project "Creatief Ondernemen" gaat per 1 januari 2010 van start. Het eerste half jaar wordt met name gebruikt voor research en ontwikkeling van ideeën, hetgeen moet resulteren in een plan van aanpak voor de volgende twee jaar.
Enkele voorbeelden van onderdelen die we van plan zijn te gaan ontwikkelen:
- Speelpleinactiviteiten voor groep 1/2 waar de samenhang van productie-transport en handel wordt geleerd;
-Het begin van het rekenonderwijs wordt gekoppeld aan de context van de winkel met magazijn (groep 3);
-In het verlengde van kookactiviteiten wordt een pizzeria en een koekjesfabriek opgezet;
-Opdrachten als ontwerp een eigen product en fabriek, waarbij het product ontstaat via de cyclus van technisch handelen (ontwerp-test-uitvoering);
-Geselecteerde kinderen schrijven een bedrijfsplan dat vervolgens bekeken wordt door VO-economie-leerlingen die de bedrijfsplannen voorzien van kritische vragen, tips en adviezen;
-Maatschappelijk ondernemen als uitdaging voor de toekomst (duurzame ontwikkeling);
-Leren presenteren (zichzelf, onderwerp, artikel) en leren omgaan met media/ict (leren fotograferen, filmen, monteren, maar ook videoconferentie en inzet van mobiel leren ( gebruik van kleine laptop met webcam) voor gebruik bij excursies naar bedrijven.
-Leren creatief te denken in relatie met kunst, maar ook vanuit “hoe zal het zijn als …” om ingeslepen denkpatronen uit de weg te gaan en over consequenties te leren nadenken.
-Maar ook hoe ondernemend zijn de leerkrachtenteams?
ERVARINGEN
Hieronder kunt u van diverse onderdelen van onze plannen de ervaringen opgedaan tijdens het project lezen.
Creatief ondernemen en de leerkracht
Binnen het project Creatief Ondernemen hebben de scholen zich als doel gesteld een concentrische doorgaande leerlijn door de gehele school met betrekking tot Leren Ondernemen op te zetten. Daarnaast willen de scholen in dit project de creativiteit van de kinderen stimuleren, vandaar de naam van het project “Creatief Ondernemen”. Dat heeft ook consequenties voor de leerkrachten.
Onder meer gebaseerd op “Wat is ondernemingszin” van Ferre Laevers hebben de scholen als visie genoteerd dat het bij het leren ondernemen niet om profijt gaat. Ze willen dat de leerlingen kansen leren zien, initiatieven leren ontplooien en dat ze in staat zijn zelfstandig doelgerichte acties te ondernemen waardoor die kansen gerealiseerd worden, waarbij het initiatief bij de kinderen ligt. Omdat het om voor de leerlingen nieuwe ideeën cq. initiatieven gaat, wordt een beroep gedaan op de creativiteit. Enkele kreten in dit verband: uitdagen tot probleemoplossend denken, doorzettingsvermogen, alert zijn op de omgeving, afstand kunnen nemen voor reflectie, nieuwe wegen durven inslaan. Een omgeving creëren waarin een eigen mening hebben, fouten maken en experimenteren positief benaderd worden. De scholen nemen dit als uitgangspunten voor hun ondernemingsprojecten. Juist de creativiteit en durf maken het verschil uit tussen ondernemer zijn en een vakkenvuller.
Als de basis is gelegd in de doorgaande lijn op gebieden als presenteren, omgaan met geld, mediagebruik, organiseren, samenwerken, vergadertechniek e.d., kunnen deze vaardigheden en deze kennis ingezet worden ten behoeve van het creatief ondernemen.
Bij deze onderdelen van het project wordt het initiatief bij het kind gelegd. De kinderen komen met ideeën, met oplossingen. De leerkracht is stimulerend, activerend, faciliterend aanwezig Deze visie heeft gevolgen voor het onderwijzersgedrag, de leerkracht dient een andere didactiek te hanteren. Niet langer een frontaal leerverhaal, maar reageren op de creatieve uitingen van de kinderen. Niet voorzeggen, maar vragen stellen die de leerlingen activeren. “Minder is meer (less is more)” ook hier; de leerkracht doet weinig, de kinderen veel. De leerkracht moet leren “los te laten” (“hand off, minds on”); het initiatief komt bij de kinderen te liggen, daar moet durf en ondernemingszin gestimuleerd worden. Dat betekent dat je als leerkracht vertrouwen moet hebben in het kunnen van je leerlingen. Daar hebben veel leerkrachten moeite mee. Want is er straks bij de presentatie, waar vaak ouders bij aanwezig zijn, wel iets goeds te presenteren? Het zelfde zie je op dit moment bij het Wetenschap- en Techniekonderwijs. Ook hier moeten de leerlingen leren onderzoeken, leren ontwerpen. Daarbij moet niet het leerverhaal voorgezegd worden, maar uit de kinderen voortkomen. Ze moeten zelf onderzoeken, zelf ontwerpen.
In het kader van het project is een cursus opgezet voor de leerkrachten, vlak voor dat er een schoolbreed “ondernemend project” aan de kinderen werd aangeboden, een project waar leren ondernemen en techniek samen gingen. In de eerste bijeenkomst werd de leerkrachten een probleem voorgelegd waar ze zelf de oplossingen voor moesten ontwerpen en uitvoeren. Kortom de leerkrachten deden het zelfde als wat ze even later hun leerlingen zouden opdragen. Na al het ontwerp en geknutsel werd de leerkrachten de schema’s van het leren ondernemen en de cyclus van technisch handelen voorgelegd. De waarde van het gebruik van deze schema’s werd besproken alsmede het uitgangspunt dat de leerlingen bij het project de ruimte moeten krijgen voor eigen inbreng, voor hun eigen oplossingen.
Je dat laatste bewust zijn is nog iets anders dan het in de praktijk ook daadwerkelijk uitvoeren. Daarvoor werd gebruik gemaakt van de samenwerkingsvorm van de scholen in dit project. Een vrijgemaakte leerkracht van een collega-school (die als visiteur van de daltonvereniging de nodige ervaring heeft op het gebied van het afleggen van klassenbezoeken) bezocht als “kritische vriend” de diverse groepen en leerkrachten. In één-op-ééngesprekken werden vervolgens de ervaringen van de leerkracht en die van de bezoekende collega met elkaar gedeeld, waarmee de leerkrachten weer voort konden in het project. Bij deze coachinggesprekken stond het loslaten, het vertrouwen in het kunnen van de kinderen hebben, het onveilige gevoel van de leerkracht (komt het wel goed?) centraal. Een aanpak die zeker vaker zal worden toegepast!
De winkel in groep 3
Het is een vreemde eend in de bijt van het programma Leren Ondernemen: het winkeltje van groep 3. Het is namelijk niet opgezet om de ondernemingszin bij kinderen te stimuleren, maar de winkel komt rechtstreeks voort uit onvrede over het rekenonderwijs in groep 3.
Op De Starter constateerden de leerkrachten van de groepen 3 dat met name de wat zwakkere rekenaars met de gehanteerde rekenmethode moeite hadden. Er is in die methode niet gekozen voor een duidelijke context en voor één duidelijke aanbiedingsvorm. Het team wilde meer recht doen aan de niveauverschillen binnen de groep en met name zorgen voor echte uitdagingen voor de meer begaafde leerlingen. Om hiaten te voorkomen en een goede aansluiting met groep 4 te garanderen werd besloten om de lijn en doelstellingen van de methode te handhaven, maar verder vanuit het principe dat gehanteerd wordt bij het science-onderwijs, leren door doen, te gaan werken. Er werd voor één duidelijke context gekozen en voor een in eerste instantie eenduidige aanbiedingsvorm.
Omdat er reeds diverse activiteiten ontwikkeld werden in het kader van het project “Creatief Ondernemen” van het Actieprogramma Onderwijs en Ondernemen van de ministeries van Economische Zaken en Onderwijs dat het leren ondernemen in het onderwijs stimuleert, lag het voor de hand om als context de mogelijkheid van een winkel te onderzoeken. Die mogelijkheden blijken in ruime mate aanwezig voor inzet bij het rekenonderwijs, te denken valt aan het tellen van producten, het bijhouden van de voorraad, het ordenen, afrekenen, betalen, terug betalen, het maken van prijskaartjes, openings- en sluitingstijden of bijvoorbeeld een nummertje trekken. In de school werd een winkel gebouwd en naast de “grote winkel” buiten de klas is er ook gezorgd voor de inzet van een kleinere winkel die in de klas geplaatst wordt, zodat snel en gemakkelijk de winkel bij de les betrokken kan worden. Met hulp van Jimke Nicolai van het bureau Levend Leren en PABO-studenten zijn nieuwe werkboekjes en lessen ontwikkeld. De bekende bussommen uit groep 3 (zoveel passagiers erin, zoveel eruit) werden bijvoorbeeld vervangen door sommen met een winkelmandje (zoveel artikelen erin, zoveel eruit). Ouders zorgden enthousiast voor lege verpakkingen en na de zomervakantie kon de winkel en dus meteen het rekenprogramma van start gaan. Een speciaal ontworpen kassa (aangepast aan de vijf- en tienstructuur van groep 3), een lopende band, een weeghoek, scanapparaat, winkelmandjes, supermarkt, een groente- en fruitafdeling; de winkel heeft het allemaal. Kinderen krijgen opdrachten om uit de winkel een hoeveelheid artikelen te halen die vervolgens in de klas geteld worden. In de winkel worden hoeveelheden met stippen (weergegeven in de tien-structuur) en getallen bij artikelen op de schappen geplaatst. Er worden zegeltjes geplakt, er wordt aan de kassa betaald en geld teruggegeven, artikelen worden geprijsd. Rond sinterklaas verandert het in een speelgoedzaak en later in het jaar in een kledingzaak; levend onderwijs moet tenslotte wel levend blijven en de leerlingen blijven boeien.
De opbouw van iedere lessencyclus is de zelfde. Er wordt gezamenlijk begonnen met het aan de kinderen voorleggen van een probleem, een vraagstuk, waarna de kinderen uiteen gaan in groepjes, soms ingedeeld op niveau, om het probleem op te lossen. Dit gebeurt aan de hand van een stuurkaart of een werkblad, waarbij vanuit de context en concreet materiaal gebruik wordt gemaakt van schema’s en modellen en toegewerkt wordt naar abstracte formele rekenhandelingen. Na deze fase volgt het belangrijke stadium van de rekenlessen: het nagesprek, de reflectie. De kinderen vertellen elkaar en de leerkracht hun oplossingen en samen komen ze tot conclusies. Hier vindt het eigenlijke leerverhaal plaats. Na de reflectie volgt de schriftelijke verwerking, het automatiseren, met werkbladen die ook geheel aangepast zijn aan de context van de winkel.
Een webcam wordt ingezet als instrument om in de klas de diverse verrichtingen in de winkel op het digitale schoolbord te kunnen bekijken. Als leerlingen spelen in de winkel of daar opdrachten uitvoeren kunnen de klas en de leerkracht dat volgen. Deze beelden kunnen ook worden opgenomen en op een later moment worden afgespeeld.
De lessen zijn gevarieerd: er worden toneelstukjes gespeeld, films gekeken om te tellen of te turven, zegelboekjes gedeeltelijk of geheel gevuld worden gecontroleerd, er zijn speciale kratjes ontworpen met de tien-structuur waarin melkpakken passen (hoe plaats je de melkpakken zo dat je ze snel kunt tellen?), een kaartjesautomaat moet worden gevuld, de openingstijd moet worden ingesteld, ruimtelijk inzicht wordt gestimuleerd met gestapelde dozen, etc. en dat allemaal om door te leren vanuit een betekenisvolle context de rekenprestaties bij de leerlingen te verbeteren. En dat lijkt gelukt.
Maar er zijn momenten dat er zonder rekenopdracht gewoon “winkeltje gespeeld” kan worden. Daarvoor zijn speciale spelkaarten ontwikkeld. Daarmee maakt het winkeltje deel uit van de doorgaande lijn in Leren Ondernemen die De Starter ontwikkelt. Door frequent met de winkel bezig te zijn wordt bij de kinderen het concept van wat een winkel inhoudt en wat ondernemen is (in- en verkoop, omgaan met geld, etc.) gelegd en daar kan in volgende groepen op voortgeborduurd worden.
De Klasse!kas
Door te werken met Klasse!kas leren wij omgaan met geld. Wij gaan over bestedingen nadenken en uitproberen. Alle acties zoals uitgaven en inkomsten gaan we bijhouden in een kasboekje. De kredietbank Drenthe heeft ons een startkapitaal van 20 euro gegeven. Groep 7 probeert dit bedrag te verhogen door eigengemaakte kunst, sleutelhangers en koekjes te verkopen. We hebben een mobiele nagelstudio en we kunnen een pot gevuld met spekjes winnen. Er is al wat winst geboekt; met de winst gaan we iets leuks met de klas doen en we schenken geld aan een goed doel.
De Klasse!kas is een product van Bureau Levend Leren. In ons project doen we ervaringen met dit product op om het in te zetten als basis m.b.t. geldzaken i.h.k.v. Leren Ondernemen.
De klassenkas bevat geld dat de groep zelf kan besteden en beheren onder leiding van de penningmeester(s) van de groep. Kinderen overleggen met elkaar over het budget, wegen af of aankopen verantwoord zijn, analyseren de financiële kant van wel of niet geslaagde projecten en ze maken met elkaar plannen om de kas te spekken. Het gaat over verantwoording van de uitgaven, kasbeheer en eenvoudige boekhouding.
De klassenkas krijgt een structurele plek in de groep. Tijdens de kring of de klassenvergadering wordt besproken waaraan wel, waaraan geen geld wordt uitgegeven. De klassenkas is aanleiding voor levendige uitwisselingen tijdens ‘rekenlessen’. Maar het is ook een techniek om te leren budgetteren, te leren verstandig om te gaan met geld. Niet eenmalig in de vorm van een project of lessenserie, maar structureel, ingebed in het alledaagse reilen en zeilen van de groep.